
Louis Couperus was a prominent Dutch novelist and poet, celebrated for his diverse literary contributions that spanned lyric poetry, psychological and historical novels, novellas, and short stories. His works often explored themes of human psychology and the complexities of existence, reflecting his keen observations of society and culture. Among his notable works are 'Eline Vere,' a psychological novel that delves into the life of a young woman struggling with societal expectations, and 'The Hidden Force,' which examines the interplay between the individual and the forces of fate and nature. Couperus's ability to weave intricate narratives with rich character development solidified his status as one of the foremost figures in Dutch literature. In addition to his fiction, Couperus was an avid traveler, and his experiences in Europe and Asia inspired a series of travelogues that captured the essence of the places he visited. His literary legacy is marked by his innovative narrative techniques and his exploration of existential themes, which have influenced subsequent generations of writers. Awarded the Tollens Prize in 1923, Couperus's works continue to be studied and appreciated for their depth and artistry, ensuring his place in the canon of Dutch literature.
“Zo ging het leven onafgebroken en eentonig voort, als met een zenuwachtig egoïstisch materialisme: er werd geleden en er daalde geen algemeen rouwfloers neer op de wereld; er werd geleden en toch bleef alles het zelfde en lachte men, sliep men, at men rondom dat leed.””
“Prachtig subliem in zijn ondergang, verheerlijkte hij zich in de krankzinnigheid zijner tragedie””
“En er rees in him een vreemde verwondering op, een verwondering, dat een mens steeds zichzelve, steeds zijn eigen individu was, zonder zich ooit te kunnen verwisselen in de persoonlijkheid van een ander. Dikwijls, zonder de minste aanleiding, doemde die verwondering bij hem op, te midden van de vrolijkheid der anderen en vulde zij hem met een grote verveling bij de gedachte aan het onherroepelijke noodlot, dat hij steeds Vincent Vere was en wezen zou, dat hij nimmer herboren kon worden in een geheel ander schepsel, dat ademde onder geheel andere omstandigheden in een geheel anderen kring. Hij zou graag verschillende gemoedslevens hebben doorleefd, in verschillende eeuwen hebben bestaan, en in telkens wisselende metamorfozen zijn geluk hebben willen zoeken. En dat verlangen scheen hem tegelijkertijd zowel zeer kinderachtig, om de bespottelijke onmogelijkheid, als zeer verheven, om de grootse onbereikbaarheid, die het omvatte, en hij meende, dat niemand dan hij zulk een verlangen koesterde en gevoelde zich zeer hoog boven andere mensen geplaatst... In die mijmering van hem, of de drie anderen zeer ver van hem waren, als van hem gescheiden door den nevel van rook... Een gevoel van lichtheid doorzweefde eensklaps zijn hersenen; het werd, of hij elk voorwerp met heller kleuren zag, hun gelach en gepraat harder hoorde klinken in zijn oor, als op een plaat van metaal, den geur van de tabak, vermengd met een aroom van gestorten wijn, in meer scherpte rook, terwijl de anderen in zijn slapen en zijn polsen klopten, alsof zij barsten zouden...””